Nog maar eens een examen in een aula vol jonge mensen. Mezelf buigend over de vakjes die ik in moest kleuren voor het multiple choice examen, dacht ik aan alle vakjes die in de leerstof en in het mensenleven verborgen zaten: de man is zo, de vrouw is zus, mannen denken meer zo, vrouwen doen meer dit, hetero’s meer dat, homo’s dan weer zus en iedereen zo.

Diagnostiek, vakjes, titeltjes, etiketjes, … het geeft de mens zo’n veilig gevoel. Alsof we de wereld begrijpen en controleren. Want dat is tenslotte één van de ultieme doelen van de wetenschap: begrijpen en controle (ok, en ook een beetje helpen). Wat een illusie ! Alsof we het leven ooit gaan kunnen begrijpen en controleren.

Begrijp me niet verkeerd. Zowel wetenschap als diagnostiek hebben hun voordelen en kunnen heel nuttig zijn (dank je wel levensreddende operaties e.d.). Alleen benaderen we ze veel te dogmatisch en als enige waarheid. Wat ben ik dit jaar teleurgesteld geweest toen ik merkte dat de zin “Wetenschappelijk onderzocht” of “Wetenschappelijk bewezen” met een korreltje zout te nemen is. Gedesillusioneerd. Hoewel ik het eigenlijk intuïtief al aangevoeld had. Echte wetenschappers weten wel beter: zij weten dat elk onderzoek ook weer kan weerlegd worden en dat heel veel onderzoeken slechts hypotheses blijven. Jammer genoeg vertaalt zich dat in publicatie vaak als: het is wetenschappelijk bewezen en dus is het de enige, echte, vaststaande waarheid. Niet dus.

Natuurlijk hebben we houvast nodig. Met alle onzekerheid leven die er al is en daar dan nog eens een pak onzekerheid bijgooien … het zou niet leefbaar zijn (voor sommigen). Dus is wetenschap een mooie bron om het één en het ander zo vast mogelijk te leggen. Ik zeg het goed: zo vast mogelijk. Maar niet helemaal vast en dus niet absoluut waar. Zie het een beetje als een voorlopig kader, dat dan nog eens door iedereen wat anders geïnterpreteerd of aangevoeld wordt.

Diagnostiek is nog zo’n houvast. Als ik te horen krijg dat ik een depressie heb … oef, dan heb ik een houvast. En goed dat die er soms is. Ik noem het echter liever een inspiratie. Wanneer ik het label burn-out krijg bijvoorbeeld, dan kan ik putten uit een heleboel literatuur die daarover geschreven is om inspiratie te vinden om mijn burn-out aan te pakken of te begrijpen. Maar ik zeg liever niet: ik heb een burn-out. Want dat is de keerzijde van diagnostiek: dan heb je een etiket. Als je een burn-out hebt, dan heb je zeker dat en dat en dat en dat …  En dan ben je waarschijnlijk zo’n en zo’n en zo’n persoon. Tja, misschien niet. Want ik ben ook nog een individu. Een individu dat misschien een burn-out heeft op een andere manier dan mijn buurman. Ik zeg liever: Ik ben gecrasht, ik ben oververmoeid, het lukt met niet meer om dit of dat te doen, ik heb nood aan meer rust, ik voel me fragiel ten opzichte van stress …

Diagnostiek is ook veel te generaliserend. En dat is nodig natuurlijk soms, om zo’n grote populatie te kunnen helpen (sociale zekerheid, verzekeringen …), maar daarmee wordt het individu uit het oog verloren. Zoals dat artikel van die man die voor een zeldzame aandoening baat had bij een bepaald medicijn, maar omdat het ‘wetenschappelijk niet voldoende bewezen’ was dat het hielp, werd zijn terugbetaling geschrapt. 2000 euro per maand moest die man ophoesten om in leven te blijven, want voor hem maakte het wel een verschil. Er werd niet naar het individu gekeken, maar enkel naar het algemene wetenschappelijke onderzoek … jammer voor die man dan, pech.

Diagnostiek zegt iets over een breder kader en geeft inspiratie. Maar je bent je diagnose niet. Diagnoses kunnen zeer beperkend werken, vernauwend. Waardoor we niet meer verder kijken dan onze neus lang is en niet meer verder zoeken naar anders, beter of meer. We zetten onszelf of de ander vast. We sluiten ons op. Ik heb met kinderen met autisme gewerkt, maar ik heb nog nooit twee dezelfde autisten gezien. Ik gaf creatieve ateliers aan autisten, zonder structuur. Men zei me: autisten zijn niet creatief en ze hebben massa’s structuur nodig (lees: voorkauwen van alles). Ik gaf prachtige ateliers aan autisten, zonder structuur en zelden zag ik zo’n creatieve kinderen. Let op, ook hier weer: niet elke autist is creatief en niet elke autist kon om met mijn manier van ateliers geven. Maar anderen dan toch weer wel. Het is een kwestie van open en nieuwsgierig de dingen te benaderen en niet vanuit een vaststaand kader. Ik hou dus meer van omschrijvingen van fenomenen … in de plaats van namen die op stempels lijken. Openheid brengt me terug naar magie, naar mogelijkheden.

Diagnostiek en wetenschap … twee dingen die als vaststaande dogma’s worden gebruikt … die nuttig zijn, maar ook hun nadelen hebben. Ze zijn handig om te hebben en ook handig om weer los te laten.

Foto: wikipedia

 

Pin It on Pinterest

Share This